Profiel Reinbert de Leeuw

Muziek als reden van bestaan – Profiel Reinbert de Leeuw

 Reinbert de Leeuw begeleidt de sopraan Barbara Hannigan. Foto: © Lelli e Maso

 

Leven in het teken van de klinkende noten

Degenen die hem van nabij kennen, beschrijven hem als een gesloten boek. ‘Reinbert is heel terughoudend over zijn privéleven. Wat hij werkelijk vindt, daar kom je niet achter,’ stelt Henriëtte Kropman die twintig jaar met Reinbert de Leeuw in één huis woonde, vaak voor hem kookte en voor poes Prumpel zorgde tijdens zijn vele buitenlandse tournees. ‘Ik heb me het hoofd zitten pijnigen: wat wéét ik van Reinbert?’ zegt Rosita Wouda vertwijfeld, die sinds 1985 als zakelijk leidster van het Schönberg Ensemble nauw met De Leeuw samenwerkt. ‘Zijn leven gaat over muziek maken. Dat is zijn raison d’être.’

Wil je een musicus leren kennen, dan moet je hem het podium op sturen, legt componist Louis Andriessen uit. ‘Veel mensen denken dat dat allemaal aanstellerij en exhibitionisme is – nee, dat is hun leven. Het vermogen om talent, passie, concentratie en voor een deel ook seksuele energie bij elkaar te brengen.’ En dat is precies zoals muziekminnend Nederland dirigent Reinbert de Leeuw kent: die lange verfomfaaide figuur, het grijze haar in slordige pieken, de stakerige armen in het rond maaiend, die ondanks zijn ietwat donquichotterige aanblik de musici tot grote hoogte weet op te zwepen.

‘Reinbert was moeilijk van zijn apropos af te brengen, ook als hij ongelijk had’ – Hans van Mierlo

Maar hij is meer dan een bezielde dirigent. Van een van de drijvende krachten achter de Notenkraker-acties, is hij uitgegroeid tot het boegbeeld van de moderne muziek in Nederland. En tot de schrik van de ambtenaren. Hij heeft zich ontpopt als een onvermoeibaar lobbyist die alle middelen aangrijpt om zijn visie op het muziekleven te verwerkelijken. Zo’n tien jaar geleden werd hij door tegenstanders zelfs voor ‘kunstpaus’ uitgemaakt – hij zou in alle muziekstrategische kwesties een vinger in de pap hebben. Des te opvallender dat we op dit moment, nu een van zijn geesteskinderen, het Fonds voor de Scheppende Toonkunst, op het punt staat te worden opgeheven, niets van De Leeuw horen. Waarom springt hij niet op de barricaden? Raken zijn idealen verbleekt? Of wendt hij zijn invloed achter de schermen aan?

In het universum van Reinbert de Leeuw regeert de muziek. En naarmate hij ouder wordt, staat zijn leven meer dan ooit in het teken van de klinkende noten. Zelfs zozeer dat zijn grote liefde de Duitse actrice Barbara Sukowa niet een plaats in zijn leven heeft gekregen, maar in een partituur: Im wunderschönen Monat Mai. Tegelijkertijd klinkt er al jaren kritiek op de dirigeerkunsten van De Leeuw. Eigenlijk zou hij het helemaal niet kunnen. Maar hoe is dat te rijmen met het feit dat hij in de internationale moderne muziek-scene als een absolute autoriteit wordt beschouwd?

‘Hij kan niet genoeg complimentjes na afloop krijgen. Dat is de brandstof waar zijn turbo op draait’ – Slagwerker Renee Jonker

‘Reinbert belichaamt de totale gedrevenheid: er mag nooit een noot zomaar gespeeld worden, hij is altijd op zoek naar het uiterste aan zeggingskracht en hij eist de volledige inzet van iedereen,’ zo omschrijft voormalig slagwerker Renee Jonker de musicus De Leeuw. ‘De eerste keer dat ik met hem werkte, was op het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, toen een groep studenten Le marteau sans maître van Boulez wilde doen. Dat vonden we een hondsmoeilijk stuk en ik denk dat we wel veertig repetities hebben gehouden. Het was een enorm avontuur. Vanaf dat moment beschouw ik Reinbert als een van mijn belangrijkste leermeesters. Sindsdien heb ik misschien wel drie- of vierhonderd concerten met hem meegemaakt en geen daarvan was ooit een moment saai. Reinbert brengt elk concert alsof zijn leven ervan afhangt.’

Ook altvioliste Susanne van Els, die vijftien jaar deel uitmaakt van het Schönberg Ensemble, leerde De Leeuw kennen op het conservatorium, tijdens een week rond de Franse componist Messiaen. ‘Hij kan ontzettend goed met jongeren werken. In zijn eentje kan hij de energie matchen die uit zo’n heel orkest komt. Hij weet die energie op te zwepen en te beteugelen tegelijkertijd. Het zinderen van die repetities kan ik me nog goed herinneren. Onze spanning toen Messiaen zou komen, dat was precies de spanning van Reinbert. Het was één grote extase. Het wezen van zijn manier van musiceren is die overgave. Dat is zoiets moois.’

Fluitist Govert Jurriaanse, die dertig jaar in het Schönberg Ensemble zat, benadrukt De Leeuws ‘unieke kwaliteit’ als muzikaal inspirator: ‘Reinbert is geen dirigent in de strikte zin van het woord, maar hij kan als geen ander een klankvoorstelling overbrengen. Ik ben nergens in het muziekleven iemand tegen gekomen die zo in de muziek kan kruipen en op een heel driftige manier kan afdwingen dat het er ook zo uitkomt. In New York heb ik een keer meegespeeld in een groot ad hoc-ensemble dat was samengesteld uit topmusici uit de beste orkesten uit de Verenigde Staten. Hij werd op handen gedragen. Waarom? Omdat er niet een of andere Feldwebel op de bok staat, maar omdat er zo’n warmte voor de muziek van hem uitgaat.’

‘Psychologie – dat is zoiets kleins; muziek – dat is zo groot’

Niet alleen bij de musici weet hij een gevoelige snaar te raken, ook de componisten wier muziek De Leeuw uitvoert, zijn euforisch. Er is eindelijk iemand die hen echt begrijpt, zegt Jurriaanse, iemand die verder gaat dan de noten. ‘Zelfs als een stuk niet zo geslaagd is, voelt hij toch de bedoeling en de worsteling van de componist aan en weet het beste eruit te halen wat er in zit. Ligeti, Kagel, Oestvolskaja, Goebaidoelina of Messiaen – allemaal zijn ze dolgelukkig met zijn uitvoeringen. Claude Vivier heeft het zelf niet kunnen horen, maar internationaal heeft Reinbert de standaard gezet hoe die muziek moet klinken.’

Componist Rob Zuidam heeft zelf ervaren hoe De Leeuw een vinger achter de noten probeert te krijgen toen hij afgelopen zomer Zuidams opera Rage d’amours dirigeerde, een stuk dat een paar jaar eerder in het Amerikaanse zomerfestival in Tanglewood in première was gegaan. ‘Reinbert probeert echt door te dringen in de partituur. Dan komen er dingen bovendrijven die er bij de Amerikaanse uitvoering niet uit zijn gekomen. Wat hij met zo’n partituur doet, snijdt veel hout.’

Waar het muzikaal talent van De Leeuw (67) zijn oorsprong vindt, is niet zo evident. Hij groeide op aan de Amsterdamse Koninginneweg als kind van twee psychiaters. Pianoles behoorde tot de opvoeding, maar uitgesproken muzikaal was het gezin niet. Omdat zijn ouders te druk waren met hun praktijk ging hij als jongetje op hun abonnement naar het Concertgebouw en hoorde dirigenten als Eduard van Beinum en Otto Klemperer. Zijn beide ouders stierven betrekkelijk jong, maar eigenlijk heeft hij zich nooit over hen uitgelaten. ‘Ik ben al achttien jaar in behandeling geweest,’ zo vertrouwde hij Ischa in 1986 toe. ‘Ik hoef niet meer.’ En bij een andere gelegenheid: ‘Psychologie – dat is zoiets kleins; muziek – dat is zo groot.’

Credit: "Reinbert de Leeuw 1983" by Anefo / Croes, R.C. - Pianist Reinbert de LeeuwDutch National Archives, The Hague, Fotocollectie Algemeen Nederlands Persbureau (ANeFo), 1945-1989,Auteursrechthebbende Nationaal Archief CC-BY-SA
Credit: “Reinbert de Leeuw 1983” by Anefo / Croes, R.C. – Pianist Reinbert de LeeuwDutch National Archives, The Hague, Fotocollectie Algemeen Nederlands Persbureau (ANeFo), 1945-1989,Auteursrechthebbende Nationaal Archief CC-BY-SA

Na de dood van zijn moeder, hij was twintig, ging hij naar het conservatorium. Als student trok hij de aandacht van Louis Andriessen, zoals die vastlegde in het essay Reinbert, een tuinstoeltje en de Amerikaanse connectie: ‘In 1961 liep ik op een avond de kantine van het Conservatorium in De Haag binnen. Door de troosteloze neonverlichting en de vaalbruine kleur van de met kromtrekkend triplex betimmerde planken, hingen de jaren vijftig als een walm om je heen. Maar die avond zat er een groepje leerlingen van het Amsterdams Muzieklyceum te wachten, want die zouden het tegen de Haagse leerlingen opnemen in een radioquiz Muziek raden. Er zat een heel magere jongen bij die zeer intelligent bleek te zijn. Hij componeerde en speelde piano en ik nodigde hem een paar dagen later uit voor een concert op het atelier van de beeldhouwer Lancelot Samson (loft-concerts avant-la-lettre). Die jongen was Reinbert de Leeuw en sindsdien hebben we elkaar niet meer uit het oog verloren. Reinbert kan bijna alles beter dan ik, maar ik moet zeggen: de Hagenaars wonnen die avond. Ik was de enige die Gianni Schicchi van Puccini herkende.’

De walm van de jaren vijftig en de links-radicale instelling van De Leeuw en zijn kornuiten zouden een explosief mengsel blijken, resulterend in onder andere de Notenkrakers-actie, waarbij de aanvang van een concert door Bernard Haitink in het Concertgebouw met knijpkikkers werd verstoord, en in de legendarische opera Reconstructie. Een gezamenlijk product van Reinbert de Leeuw, Louis Andriessen, Misha Mengelberg, Peter Schat en Jan van Vlijmen en met Harry Mulisch en Hugo Claus als librettisten.

Het was in deze zelfde jaren zestig dat Hans van Mierlo Reinbert de Leeuw leerde kennen: ‘Ik zag hem als een sergeant-majoor: heel streng, doctrinair, vol met theorieën over de maatschappij waar ik met enig ontzag naar luisterde. Hij was sterk links angehaucht. In die tijd was je revolutionair of contra-revolutionair. De standpunten hoorden in de bak van links of in de bak van rechts – zelden werden ze op hun eigen waarde getoetst. Als je tegen de oorlog in Vietnam was, dan was je vrijwel zeker voor de vrouwenemancipatie, voor abortus, voor euthanasie en voor ontwikkelingshulp. Dat was het linkse pakket. Het spiegelpakket was rechts. Reinbert was een jongen die vierkant aan de linkerkant stond. Hij was moeilijk van zijn apropos te brengen, ook als hij ongelijk had. Daardoor was hij een gevreesd debater.’

De Notenkrakers vochten niet alleen voor een ‘moderner’ muziekleven met een gelijkwaardige plaats voor eigentijdse muziek, ook de uitvoeringspraktijk zelf werd aan de kaak gesteld. Govert Jurriaanse schetst hoe de oudemuziekbeweging een bron van inspiratie was voor de uitvoerders van twintigste eeuwse muziek. ‘Het Schönberg Ensemble komt direct voort uit de authenticiteitsbeweging die op het Haags conservatorium ontstond met de aanstelling van Frans Brüggen en Nikolaus Harnoncourt. Het hoorde bij de jaren zeventig om in de huid van de componist te kruipen en te achterhalen wat deze zelf had bedoeld.’

‘Met Reinbert hebben we drama’s meegemaakt, ook al zal het publiek daar geen last van hebben gehad’ – Fluitist Govert Jurriaanse

Wat dat betreft was de uitvoeringspraktijk verworden. In de negentiende eeuw werd alleen maar muziek van hedendaagse componisten gespeeld. Chopin en Liszt werden door het publiek op handen gedragen. Men had ook een grote bewondering voor Bach, maar actualiseerde deze muziek zodanig dat ze voor die tijden weer ‘hedendaags’ werd. Aan het begin van de twintigste eeuw ontstond de cultus van de grote dirigenten die steeds heldhaftiger gingen dirigeren en eigenlijk de componist veronachtzaamden. Alles werd geromantiseerd en daarmee steeds egaler. Van de weeromstuit werd barokmuziek gortdroog als ‘naaimachinemuziek’ gespeeld. ‘Nu weten we dat je in de barokmuziek ook rubato moet spelen. De twintigste-eeuwse muziek heeft erg geleden onder die ongeïnteresseerde houding. De schandalige manier waarop de muziek van de Tweede Weense School werd uitgevoerd, heeft grote afbreuk gedaan aan de appreciatie van die muziek.’

Het was in deze sfeer dat het Schönberg Ensemble ontstond, toen een groep studenten in 1974 Reinbert de Leeuw vroeg om Schönbergs Pierrot lunaire met hen uit te voeren. Overigens was De Leeuw in die jaren vooral pianist en componist. Terwijl zijn (trage) uitvoeringen van Satie hem bij een groot publiek bekendheid hadden bezorgd, was zijn carrière als componist problematischer. Enerzijds liet hij zich verlammen door de bestaande muziekliteratuur (‘Componeren in het aangezicht van eeuwen muziek is voor mij een ondraaglijke gedachte’), anderzijds leidde niet-componeren tot een knagend schuldgevoel (‘Componeren is immers het hoogste wat er is’).

Reinbert houdt van te veel muziek, zegt Louis Andriessen nu. ‘Hij heeft mij wel eens uitgelegd dat als je goed wilt componeren, je tegen veel muziek “nee” moet zeggen. In die zin is hij vooral een uitvoerend musicus. Een goede pianist kan muziek die hij niet echt de moeite waard vindt, toch ontzettend mooi spelen. Een componist doet dat niet. Muziek waar hij niet van houdt, ziet hij als voorbeeld van hoe het níét moet.’

Als dirigent is De Leeuw een selfmade man en tot op de dag van vandaag wordt hem nagedragen dat hij eigenlijk niet kan dirigeren. Renee Jonker nuanceert dat beeld: ‘Reinbert kan nu juist wat zoveel dirigenten en vooral de Pultvirtuosen­ – de zogenaamde mooislaanders – niet kunnen: een totaal bezielde uitvoering afdwingen. Zijn slagtechniek interesseert hem geen bliksem. Zijn eigen lezing van een stuk staat voorop en uitvoeringstechnische onvolkomenheden lijken hem dan niet te deren. Mensen die hem wel eens hebben aangeraden om directieles te nemen, hebben het voor altijd verbruid. Wat Reinbert betreft, gaat het daar niet over’.

Govert Jurriaanse windt zich er nog altijd over op: ‘Met Reinbert hebben we drama’s meegemaakt, ook al zal het publiek daar geen last van hebben gehad. In het begin was alles kleinschalig en was Reinbert er eigenlijk alleen maar om te vertellen hoe die muziek moest klinken. Zelf moesten we zorgen dat de boel boven elkaar kwam te staan. Kijk, Frans Brüggen kan ook niet dirigeren, maar dat orkest heeft het geluk dat het muziek speelt die iedereen uit zijn hoofd kent. Bij moderne muziek kunnen er rampen gebeuren. Met zijn twintigen kun je nog afspraken maken, maar met zestig man is dat onmogelijk. De stukken van Louis Andriessen gaan soms faliekant mis. Toch zijn het altijd bijzondere concerten. Misschien niet naar de letter, wel naar de geest.’

Ook Rob Zuidam heeft zich bij de uitvoering van zijn Rage d’amours verbaasd over de vrijheden die De Leeuw zich permitteert. ‘Hij deed twaalf minuten langer over de uitvoering dan dirigent Stefan Asbury. Op een stuk van een uur is dat twintig procent! Ik was het niet altijd eens met de keuze van de tempi en bovendien was die elke avond weer anders. Dat creëert een zware spanning. Regisseur Guy Cassiers was juist gefascineerd door het contact tussen Reinbert en de zangers, maar ik heb hem uitgelegd dat dat kwam doordat de zangers geen flauw idee hadden hoe snel hij die avond zou gaan.’

‘Er zijn mensen naar de periferie van het muziek­leven verdwenen omdat ze het met Reinbert aan de stok hebben gekregen’

Over de vraag of De Leeuw tijdens de repetitie openstaat voor suggesties van de musici, verschillen de meningen. Altijd, vindt de een. In geval van kritiek walst hij je plat, zegt de ander. Kunstenaars zijn van nature weinig democratisch, vermoedt Van Mierlo. ‘Zij hebben een vanzelfsprekende optie op hun eigen gelijk op de schoonheid. Iemand die dat weerspreek,t is sowieso een teleurstelling. Toch geloof ik dat Reinbert vaak tot een vergelijk komt. Maar niet meteen. Het bevechten van de juiste inhoud is lijden.’

Zakelijk leider Rosita Wouda heeft leren omgaan met de extreme kanten van De Leeuw. ‘Ik ken geen makkelijke mannen van dit kaliber. Die zijn allemaal lastig. Tegelijk zijn zij in staat tot iets wat een gewoon mens niet kan. Ik geloof heilig in gouden koppels: een artistiek leider die oog heeft voor praktische beperkingen en een zakelijk type dat een enorm hart heeft voor de artistieke kant. Mijn grote voorbeelden zijn Pierre Audi en Truze Lodder van De Nederlandse Opera. Maar ik denk dat Reinbert en ik ook een eind in die richting komen. Als ik zeg: “Ik vind dit een geweldig plan, maar we kunnen het echt niet betalen,” dan denkt hij altijd mee over alternatieven. En hij is niet te beroerd een beetje water bij de wijn te doen.’

Terwijl het Schönberg Ensemble in de afgelopen dertig jaar uitgroeide van een klein studentenclubje tot een professioneel ensemble dat toonaangevend is in het internationale circuit voor moderne muziek, drukte Reinbert de Leeuw ook op andere manieren zijn stempel op het Nederlandse muziekleven. Samen met Martijn Sanders riep hij de serie Tijdgenoten in het Concertgebouw in het leven, waarmee de hedendaagse muziek een prominente plaats kreeg binnen de klassieke programmering. Met Cherry Duyns maakte hij de veelbekeken en bekroonde documentaireserie Toonmeesters over zijn favoriete componisten (van wie hij enkelen internationaal op de kaart heeft gezet). En sinds een paar jaar geeft hij een belangrijke impuls aan de zomeracademie die het Nationaal Jeugd Orkest in Gelderland organiseert – naar analogie van het Amerikaanse Tanglewood waar De Leeuw jarenlang artistiek leider was van het Contemporary Music Festival. Rob Zuidam maakte hem in Tanglewood mee en vertelt hoe De Leeuw een ‘memorabele uitvoering’ bracht van Messiaens La cité céleste en vervolgens de componist zelf uitnodigde. Hoe hij voor het eerst stukken van de tot dan toe Tanglewood onwaardig geachte Steve Reich uitvoerde en de muziek van in de Verenigde Staten onbekende hedendaagse Russen introduceerde. Zuidam: ‘Op welke lokatie hij ook bezig is, hij grasduint altijd in zijn eigen voorkeuren. Opvallend waren de resultaten die hij met het Amerikaanse studentenorkest boekte. Dat zijn musici van hoog technisch niveau, maar met een minder ontwikkeld stijlgevoel – of het nu Sjostakovitsj of Webern is, ze spelen alles ongeveer hetzelfde. De aanpak van Reinbert, die altijd op zoek gaat naar de bedoelingen van de componist zelf, fungeerde daar echt als eye-opener.’

Daarnaast heeft De Leeuw van jongs af een actieve rol gespeeld in de kunstpolitiek. Op zijn eenentwintigste werd hij voorzitter van de Amsterdamse Kunstraad en in die functie heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan de oprichting van het Amsterdams Fonds voor de Kunst. Maar zijn grootste wapenfeit is wellicht zijn bemoeienis met de oprichting van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst in 1982, een gebeurtenis waar achttien jaar voorbereiding aan vooraf ging. Henriëtte Kropman, directeur van het FST: ‘Reinbert was rond die tijd voorzitter van het Genootschap van Nederlandse Componisten. In die hoedanigheid heeft hij een beleidsplan ontworpen dat we in grote lijnen nog altijd volgen. Het is een flexibel instrumentarium dat tegemoet komt aan uiteenlopende vormen van componeren. Het grote voorbeeld was het Fonds voor de Letteren en daaraan is het idee ontleend van twee onafhankelijke commissies, die dezelfde aanvragen beoordelen. Bij het FvdL is dat wegens tijdgebrek weer afgeschaft, omdat de beoordeling van literatuur en vertalingen veel meer tijd kost. In die tijd was Reinbert iemand die de handen uit de mouwen stak. Hij is heel gedreven. Als hij eenmaal een standpunt over iets heeft ingenomen, zal hij niet gauw loslaten voor hij dat bereikt heeft. Dan is hij een terriër.’

‘In Den Haag waren ze beslist niet blij als Reinbert zijn hoofd om de hoek stak,’ verzekert Van Mierlo. ‘Meestal kwam hij dan om bonje te maken. Zijn bezetenheid is zijn geheim’

En de resultaten mogen er zijn, benadrukt Govert Jurriaanse: ‘Vergeleken met het buitenland hebben we nu een ongelooflijk rijk en divers muziekleven. En dat al die ensembles voor hedendaagse muziek tegenwoordig subsidie ontvangen, hebben ze in hoge mate te danken aan Reinberts gedram om, net als de symfonieorkesten, ondersteund te worden door het rijk. Hij heeft veel ruimte gecreëerd die er voorheen niet was.’

Ondanks alle successen die Reinbert de Leeuw muzikaal en politiek op zijn conto mag schrijven, wordt hij door alle betrokkenen omschreven als een onzekere, nerveuze man. Om te beginnen geldt dat de zenuwen voor een optreden. Iedereen die hem wel eens van dichtbij heeft meegemaakt, kent het beeld: de lange, magere man die driftig lurkend aan shaggies en vingerknippend loopt te ijsberen. Toch is het veel erger geweest, vindt Louis Andriessen: ‘Ik hoor hem veel minder over betablokkers, zoals in de tijd van die solorecitals met Satie. Twee uur achter elkaar stukken uit je hoofd spelen die allemaal precies hetzelfde zijn, dat is echt niet eenvoudig. Dat mag je eigenlijk niemand aandoen.’ Is het de aard van het beestje? Of het feit dat er altijd nieuwe, onbekende partituren op de lessenaar staan? Renee Jonker zoekt het in de totale overgave die De Leeuw op het podium bereikt: ‘Reinbert gaat altijd tot een punt waar hij zichzelf volledig uitlevert en zich in al zijn passie en bezetenheid bloot geeft. Om daarna weer zacht te kunnen landen, heb je veel bevestiging en waardering nodig, anders kun je dat niet keer op keer opbrengen. Hij kan niet genoeg complimentjes na afloop krijgen. Dat is de brandstof waar zijn turbo op draait.’

Kritiek kan hij dan ook slecht incasseren. Legio zijn de hoofdredacteuren die een briesende De Leeuw aan de lijn hebben gekregen met de dwingende opdracht hun muziekmedewerker de oren te wassen. ‘Dat de krant in de kattenbak belandt weet hij wel, maar op zo’n moment is er iets sterkers aan de hand,’ zegt Rosita Wouda. ‘Zo heeft Frits van der Waa in de Volkskrant Messiaen eens vergeleken met Philip Glass. Dan wordt hij razend. De zuiverheid van Messiaens wereld vertegenwoordigt voor hem een absolute waarde en die wordt opeens onderuit gehaald.’

‘Relativeringsvermogen is mijn slechtst ontwikkelde eigenschap,’ bekende De Leeuw ooit zelf. Renee Jonker mocht dit fenomeen aan den lijve meemaken als lid van de Raad voor Cultuur die niet alleen meeging in de door staatssecretaris Van der Laan opgelegde bezuinigingen, maar bovendien een ongunstig advies uitbracht over het Schönberg Ensemble. ‘Dat heeft hij als het grootst mogelijke affront ervaren. Iedere vorm van kritiek op het ensemble is een regelrechte aanval op zijn persoonlijke integriteit. Op zo’n moment slaat hij onmiddellijk van zich af. En dan merk je dat hij veel gezag heeft. Er zijn mensen naar de periferie van het muziek­leven verdwenen omdat ze het met Reinbert aan de stok hebben gekregen.’

Govert Jurriaanse denkt dat De Leeuw zich vaak niet realiseert hoezeer hij mensen op hun ziel trapt. ‘Als je hem erop aanspreekt, weet hij niet waar je het over hebt. Hij heeft geen idee wat andere mensen emotioneel beweegt. Als iemand ziek is of dood gaat, is hij helemaal ondersteboven. Hij heeft een heel groot hart voor de muziek, maar in sociaal opzicht een piepklein hartje. Vandaar die ongelooflijke bewondering voor coryfeeën, voor bekende componisten, voor Harry Mulisch, Peter Sellars, noem maar op. Dan is hij als een hondje.’

Jurriaanse vertelt over de Bijbelse Stukken van Stravinsky met regisseur Peter Sellars. Een productie die zeer lovend werd ontvangen, maar die voor Jurriaanse een bron van ergernis was. ‘Hij keek huizenhoog op tegen Sellars en die kon zich daardoor alles permitteren. Hij kwam met een regieconcept dat geen dirigent zou accepteren. Voor elk orkest zijn dit moeilijke stukken, laat staan als je dertig meter uit elkaar verspreid over de ruimte zit. En als ik ergens een hekel aan heb is het wanneer in de muziek van Stravinsky niet alles boven elkaar staat. Maar Reinbert adoreerde hem.’

Renee Jonker spreekt in dit verband van idolatrie. ‘Over de mensen die hij bewondert, en dat zijn zeker niet de minsten, wil hij geen kwaad woord horen. Maar er is ook een andere kant aan. Reinbert heeft zich omringd met musici met wie hij kan lezen en schrijven. Binnen die familie bestaat niet zoiets als het uitwisselen van kritiek. Heeft hij je eenmaal in zijn hart gesloten, dan ben je voor Reinbert de ideale vertolker, ook al is dat objectief gesproken niet altijd het geval. Reinbert hoort dan vooral wat hij wil horen.’

Eenzelfde gebrek aan relativeringsvermogen treedt aan de dag in Reinbert de speler: de man die koste wat het kost altijd moet winnen. Louis Andriessen haalt met smaak herinneringen op aan de kaartspelletjes op De Kring en aan de keukentafel, waarbij grote bedragen over tafel gingen. ‘Hij is enorm fanatiek en als hij niet kan winnen, speelt hij dat spel niet. Het gaat niet om het spel, het gaat niet om de gezelligheid, het gaat om het winnen. Dat geldt ook voor de muziek. Daar kun je weliswaar niet winnen, maar je moet het altijd beter doen dan anderen. Wij hebben wat afgespeeld. Frans Brüggen werd kaalgeplukt. En ik herinner me dat Jeanette Yanikian (de echtgenote van Andriessen – JO) op haar verjaardag van Reinbert bij wijze van cadeau duizend gulden vermindering van haar speelschuld kreeg! In de jaren zestig speelden we ook het Pitié-spel. Daarin kreeg je punten wanneer er iets heel naars was gebeurd in je leven. Ook dat spel won Reinbert met glans, met zijn vader en zijn moeder allebei overleden.’

‘Misschien is er niet meer dan hij geeft. Hij is wat hij is. En dat is al heel veel’

Die monomanie is ook zijn artistieke kracht. De Leeuw staat bekend als iemand die alles op alles zet om een stuk zo goed mogelijk uit te voeren. Susanne van Els: ‘Ik ken geen dirigent die meer uren en zorgvuldigheid stopt in het bestuderen van een partituur. Want je kunt wel heel gepassioneerd zijn, het moet ook goed zijn. Bij de opening van het Muziekgebouw aan ’t IJ in juni kreeg Reinbert de nieuwe partituur van Jan van der Putte pas twee dagen van tevoren. Ik weet zeker dat hij geen oog heeft dichtgedaan en alleen maar in die partituur heeft zitten turen. Dat is een toewijding die over grenzen gaat.’

Rob Zuidam werd in dezelfde periode bij De Leeuw thuis ontboden om de partituur van Rage d’amours door te nemen. ‘Als een schoolmeester ging hij door die partituur en uit dat woud van noten haalde hij toch vijftien à twintig dingen die niet klopten: foutjes, herstellingstekens, een c die een cis moest zijn, enzovoorts. Allemaal details die bij de eerdere uitvoering in Tanglewood niet aan de oppervlakte zijn gekomen. Zijn vaderlijke houding sloeg om in een wat belerende toon, maar hij was er echt mee bezig geweest.’

Waar het de kunstpolitiek betreft, heeft De Leeuw jarenlang een vergelijkbaar fanatisme aan de dag gelegd. ‘In Den Haag waren ze beslist niet blij als Reinbert zijn hoofd om de hoek stak,’ verzekert Van Mierlo. ‘Meestal kwam hij dan om bonje te maken. Zijn bezetenheid is zijn geheim. Hij is dan wit of rood van woede en vaak vindt er een verschuiving in zijn voordeel plaats.’

De man die jarenlang werd beschouwd als de belangrijkste paus van het muziekleven en die vele verwijten over machtsmisbruik en achterkamertjespolitiek naar het hoofd kreeg geslingerd, maakt volgens ingewijden nu een moegestreden indruk. Wat hem betreft zou een jongere generatie de fakkel mogen overnemen. Toch noemt Renee Jonker hem nog altijd een king maker: ‘In het Nederlandse muziekleven van de afgelopen dertig jaar is niemand op een belangrijke post benoemd zonder dat Reinbert daarover is geconsulteerd. Hij heeft een enorm gezag. Niemand kan zo bevlogen en met zoveel kennis over muziek spreken als Reinbert.’

Ook al benadrukt De Leeuw al jaren dat hij geen bestuursfuncties meer bekleedt, de informele netwerken zijn glashelder en minstens zo effectief. Zo maakt hij deel uit van ‘De verontruste citoyens’, een groep die in 1987 werd opgericht nadat Jan van Vlijmen werd ontslagen als directeur van De Nederlandse Opera. De mannen – onder wie (de inmiddels overleden) Hein van Royen, Jan Zekveld en Frans de Ruiter – bespreken hun zorgen over het muziekleven en zoeken naar oplossingen. Daarnaast behoort De Leeuw samen met Hans van Mierlo tot de oprichters van de Herenclub (1977), een gezelschap publieke figuren dat elke maandagavond bij elkaar komt om te eten en te praten. ‘Reinbert is een fel debater en zijn oude vriend Harry en hij gaan altijd genadeloos met elkaar op de vuist. Maar de Herenclub heeft geen politieke of ideologische betekenis,’ zegt Van Mierlo. Toch ontkent hij niet dat hij zich laat beïnvloeden door de ideeën van De Leeuw. ‘Het is nu eenmaal zo dat ik graag met hem praat, goed naar hem luister en veel dingen met hem deel. Dus ik ben wel degelijk een “kanaal” voor hem.’ Maar het gerucht dat Van Mierlo op aandringen van Reinbert de Leeuw met één telefoontje naar partijgenoot Medy van der Laan het kritische advies van de Raad voor Cultuur over het Schönberg Ensemble van tafel heeft gekregen, is volgens de D66-ideoloog niet waar. ‘Ik zou mij zelf geen overdreven rol willen toebedelen.’

‘Hij is nou niet direct een huiselijk type,’ zegt Henriëtte Kropman op de vraag of er wel eens een vrouw in het leven van Reinbert de Leeuw is geweest. ‘Of hij eenzaam is weet ik niet, want dat zegt hij dus niet. Maar hij kiest bewust voor een leven zonder vrouw, omdat dat niet te rijmen valt met zijn werk.’ Louis Andriessen weet dat De Leeuw wel eens verliefd is, maar dan altijd op iemand die ‘iets heel bijzonders’ kan. Ondertussen is het een publiek geheim dat Barbara Sukowa, die indertijd de spreekstempartij in Pierrot lunaire deed en voor wie De Leeuw recentelijk de compositie Im wunderschönen Monat Mai schreef, zijn grote liefde is. Zij het een ge­sublimeerde liefde. ‘Het zijn allebei explosieve persoonlijkheden die elkaar tot grote hoogten hebben geïnspireerd,’ zegt Renee Jonker. ‘Voor iedereen in het publiek was het zonneklaar dat Reinbert in Im wunderschönen Monat Mai een openlijke liefdesverklaring aflegt.’ ‘Zijn princesse lointaine’, noemt Rosita Wouda La Sukowa. ‘Zij vertegenwoordigt de absolute vrouw. Niet het type mannequin, maar het oertype waar al het andere van afgeleid is. Op het podium krijgt ze iedereen plat. Je zou denken dat je zo’n liefde in je leven wilt halen. Maar Reinbert maakt de Monat Mai. Misschien omdat het blijft bestaan zolang het niet dichtbij komt.’

Van Mierlo maakte een eerste uitvoering van Monat Mai mee in het vakantiehuis van De Leeuw aan de Côte d’Azur. ‘Hij speelde Connie en mij de partituur voor en regelmatig zaten wij in tranen van ontroering. Reinbert zelf overigens ook.’ Een huis gevuld met kunst, waar de vertrekken open communiceren met de natuur en waar altijd muziek klinkt. Want aan het werk is De Leeuw voortdurend. ‘Waarom, daar ben ik nog niet helemaal achter,’ peinst van Mierlo, ‘maar de laatste tijd is er wat meer relativering denkbaar. Tegenwoordig kunnen de gesprekken langer duren voor hij aan het werk gaat. Dan zitten we bij het zwembad en blijft hij een tijdje hangen.’

Zijn werkdrift gecombineerd met een wankele gezondheid, doet menigeen vermoeden dat De Leeuw in het harnas zal sterven. Een thema waar Mauricio Kagel een toespeling op maakte in het stuk Finale, waarin de dirigent tijdens het spelen ineen zijgt. Toen de componist het stuk ooit zelf dirigeerde, kwam er uit de zaal onmiddellijk een verpleegster aangesneld. ‘Gehen Sie weg. Dies’ ist Theater,’ siste Kagel. ‘Soms klaagt Reinbert dat hij erg moe is,’ zegt Louis Andriessen. ‘Hij heeft nog maar de capaciteit van één long, en ook al rookt hij iets minder, dat stelt niet veel voor. En dan al die jetlags. Naar Australië vliegen en meteen om 9.30 uur een orkestrepetitie. Ik was allang dood geweest.’

Ja, hij is een workaholic, meent ook Rob Zuidam die in Tanglewood bij De Leeuw logeerde. ‘Zijn grootste angst is een gat in zijn agenda van twee à drie weken. Toch is het niet zo dat hij vlucht in de muziek. Zij betekent juist een zoektocht voor hem. Dat is zeer lovenswaardig.’ NRC Handelsblad nodigde Zuidam uit een interview met De Leeuw te maken. Zuidam heeft geprobeerd hem ‘het hemd van het lijf’ te vragen, maar stuitte daarbij op een muur van onwil. ‘Hij trekt dan rigoureus aan de handrem: ‘Flauwekul, je kunt alles wel analyseren.’

Hans van Mierlo betwijfelt of De Leeuw zo’n gesloten boek is. ‘Misschien is het boek minder gesloten en is er veel minder in opgeschreven dan wij vermoeden. Dat rare spreekwoord, stille wateren hebben diepe gronden, is niet altijd waar. Misschien is er niet meer dan hij geeft. Hij is wat hij is. En dat is al heel veel.’

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *